Van profilering naar samenwerking
Handreiking voor het maken van collectie- en collectievormingsprofielen
Trix Bakker
Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, januari 2001
(herziene versie van de handreiking uit 1998)
Inleiding
Binnen het samenwerkingsverband UKB - waarin de Universiteitsbibliotheken, de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Bibliotheek van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) participeren - wordt al sinds vele jaren op diverse manieren gewerkt aan het bevorderen van coördinatie van de collectievorming (CvC). In het voorjaar van 1993 heeft het UKB de aanpak en organisatie van CvC opnieuw vorm gegeven. Een kleine Stuurgroep CvC stelt op hoofdlijnen het beleid vast en waarborgt een goede afstemming met de directies van de UKB-bibliotheken. De activiteiten worden uitgewerkt en uitgevoerd in samenspraak met de landelijke Gebruikersraad CvC, bestaande uit contactpersonen van de UKB-bibliotheken. De contactpersonen fungeren zowel intern als extern als 'aanspreekpunt' voor hun bibliotheek. Zij zijn nauw betrokken bij de verdere ontwikkeling en daadwerkelijke uitvoering van CvC. Zij beschikken over een zeker mandaat namens hun bibliotheek. In de gebruikersraad worden de meer algemene (beleidsmatige, methodologische en technische) aspecten van CvC besproken. De landelijke coördinatie berust bij de KB. De coördinator wordt bijgestaan door de Beheerscommissie CvC, een kleine commissie gekozen uit en door de gebruikersraad, die de afspraken op het gebied van CvC bewaakt. De opzet van CvC steunt sterk op een actieve inbreng vanuit de UKB-bibliotheken, hun vertegenwoordig(st)er in de gebruikersraad en de vakreferenten, of faculteits- of vakgebiedsbibliothecarissen. In het navolgende wordt kortheidshalve de term 'vakreferent' gebruikt.
Coördinatie van de collectievorming richt zich op drie concrete punten:
Het opstellen van collectie(vormings)profielen door vakreferenten, om de eigen collectie (beter) in kaart te brengen, en een basis te creëren voor landelijk overleg. Deze handreiking is speciaal voor dit doel geschreven.
Het organiseren van vakgenotenoverleg waar dat wenselijk en nodig is door de landelijk coördinator met het doel een eenduidige CvC-aanpak en onderlinge afstemming te bevorderen.
Kennisverspreiding op CvC-gebied en vergroting van de deskundigheid bij de deelnemers.
Coördinatie van de collectievorming heeft als uitgangspunt: versterking door samenwerking. CvC biedt de mogelijkheid om de druk op de lokale budgetten te verkleinen en het aanbod aan de gebruikers te vergroten. Het gaat erom gezamenlijk een zo breed mogelijke dekking van relevant (met name onderzoeks-)materiaal te realiseren en onnodige overlap te voorkomen, om beter te kunnen inspelen op de toenemende en meer gedifferentieerde vraag van de gebruikers. Een dergelijke aanpak impliceert een bewuster en inzichtelijker aanschafbeleid van de deelnemende bibliotheken. Hierdoor zal de kwaliteit van het landelijke aanbod toenemen.
Het aanschafbeleid van de universiteitsbibliotheken wordt bepaald door de volgende factoren:
Het onderwijs en onderzoek aan de betreffende onderwijsinstelling.
De vakreferent onderhoudt functioneel contact met de faculteit(en), vakgroep(en) of studierichting(en), waarvoor
wordt aangeschaft. Ook onderwijs en onderzoek in andere sectoren dan die waarmee de vakreferent een
functioneel contact onderhoudt, kunnen relevant zijn voor de collectievorming, alsmede het tweede en derde
geldstroom onderzoek.
NB: de bijdragen van het bedrijfsleven voor de geesteswetenschappen zijn te verwaarlozen.
Wanneer een bibliotheek op bepaalde gebieden landelijke taken vervult, dient op deze gebieden bovenlokaal gecollectioneerd te worden.
Continuïteit en consistentie van bestaande collecties zijn veelal belangrijke factoren voor de actuele collectievorming (dit geldt met name voor universiteitsbibliotheken en speciale - unieke - collecties).
Collecties elders binnen en buiten de eigen universitaire instelling op het betreffende vakgebied kunnen ook een rol spelen, bijvoorbeeld ter voorkoming van overbodige overlap.
De budgettaire situatie (bestedingen per deelcollectie).
Het feitelijke gebruik van een (deel)collectie.
Het wereldwijde aanbod van wetenschappelijke publicaties.
Voor de KB en de bibliotheek van de KNAW gelden deels andere overwegingen, omdat deze bibliotheken niet
aan een universiteit verbonden zijn.
Vanwege de teruglopende financiële middelen en de toename van het informatie-aanbod zijn de
bibliotheken meer dan ooit gedwongen prioriteiten te stellen bij de collectievorming. Iedere bibliotheek
onderhoudt in principe minimaal een goede basiscollectie voor haar eigen gebruikerskring. Om te kunnen
voldoen aan de huidige en toekomstige vraag naar informatie is echter een systematische en
samenhangende benadering van het collectiebeleid noodzakelijk. Een uniforme en vergelijkbare
registratie van aanschafbeslissingen en -prioriteiten van bibliotheken in collectie- en collectievormingsprofielen
leidt tot een effectiever en efficiënter aanschafbeleid, ofwel tot een verhoogde gebruikskwaliteit en tot
kostenbesparing. Dat wil zeggen dat met de bestaande budgetten een breder aanbod gecreëerd wordt.
Afstemming van de collectievorming is vooral noodzakelijk voor het meer perifere - dus niet tot de kerncollectie behorende - onderzoeksmateriaal. Het gaat er om dat dit materiaal in voldoende mate aanwezig is in Nederland én dat de gebruiker er binnen een paar dagen over kan beschikken. Door de krimpende budgetten dreigt echter de aanschaf van specialistische onderzoeksliteratuur steeds meer in het gedrang te komen. De aanschaf van specialistische literatuur hangt af van de positie van het vakgebied binnen de instelling en van het niveau van collectionering dat wordt nagestreefd. Door CvC voorkomt men meervoudige aanschaf van zeer gespecialiseerde publicaties (het gaat per slot om materiaal voor een kleine gebruikersgroep), wordt een groter deel van het toenemende aanbod gedekt en wellicht ongewenste lacunes tegengegaan. Het uitgangspunt van CvC is een budgettair neutrale aanpak: onnodige overlap voorkomen en gezamenlijk een zo groot mogelijke diversiteit van relevant materiaal aanbieden.
Voorbeeld:
Wanneer een bibliotheek een goede (onderzoeks)collectie heeft op een bepaald vak- of deelgebied en
één of een aantal andere bibliotheken ook sterke collecties hebben op dit vak- of deelgebied,
dan kunnen deze bibliotheken afspraken maken over continuering van de aanschaf op dit niveau. Dat wil
zeggen dat iedere bibliotheek afzonderlijk de collectie op dit gebied op peil houdt (het lokale eigenbelang en
de belangen van de gebruikersgroepen staan voorop), terwijl men collectief nastreeft de toegang tot meer
perifeer materiaal te verbreden. Hierdoor worden deze bibliotheken gezamenlijk sterker en kunnen hun
gebruikers meer - dat wil zeggen een breder aanbod van specialistische literatuur - bieden door ook afspraken
te maken over - gegarandeerde en snelle - leverantie via het interbibliothecaire leenverkeer (IBL). Op deze
wijze wordt toegang een aanvulling op bezit.
Wanneer een aantal gelijkwaardige bibliotheken zich garantstellen voor een bepaald vak- of deelgebied, kunnen andere bibliotheken de aanschaf hiervan met een gerust hart aan deze bibliotheken overlaten en hun middelen inzetten op andere gebieden, zodat onnodige dubbele aanschaffingen voorkomen worden.
Voorwaarden voor CvC zijn:
Goede bibliografische toegankelijkheid: een gemeenschappelijke database of open bibliotheeknetwerk;
Een goed werkend IBL;
Voorrang van lokale prioriteiten;
Vrijwillige, maar niet vrijblijvende samenwerking van de op zich autonome instellingen;
Een permanent coördinatiecentrum dat tevens evaluaties en verificaties uitvoert;
Een concrete doelstelling: versterking van de collecties door samenwerking;
Gestandaardiseerde beschrijvingen van de collecties en van het collectievormingsbeleid van de deelnemende bibliotheken;
Eenheid in gebruik van terminologie en methodologie;
Voldoende administratieve ondersteuning.
De belangrijkste instrumenten voor CvC zijn het Gemeenschappelijk Geautomatiseerd Catalogiseersysteem (GGC), de Nederlandse Basisclassificatie (BC) en de Conspectusmethode. De inspanning die men zich moet getroosten om profielen te maken met behulp van de Conspectusmethode, levert in de praktijk een aantal essentiële voordelen op, ter ondersteuning van het (inter)lokale collectievormingsbeleid.
Instrumenten voor CvC
Om te komen tot afstemming van de collectievorming dienen eerst de collecties en de collectievorming van de deelnemende bibliotheken op een uniforme en vergelijkbare wijze beschreven te worden. Hiervoor zijn een aantal instrumenten ontwikkeld. Het spreekt vanzelf dat dit instrumentarium vatbaar is voor kritiek. Aan elke methode kleven bezwaren. Maar uit de ervaring die tot nu toe is opgedaan, blijkt dat de hier beschreven hulpmiddelen in de praktijk tot bruikbare resultaten leiden.
In 1989 verkoos een gemengde commissie van het samenwerkingsverband UKB en de stuurgroep Pica de Nederlandse Basisclassificatie (BC) als instrument voor CvC. Men kan natuurlijk ook de eigen systematiek als uitgangspunt nemen voor het beschrijven van de collecties en deze codes in een later stadium concorderen naar BC-codes. Zo'n conversie is noodzakelijk om landelijk de collectiebeschrijvingen met elkaar te kunnen vergelijken.
In 1987 werd de Conspectusmethode door het UKB aanvaard als de methode om de collecties te beschrijven. De Conspectusmethode is tot nu toe de enige methode gebleken, die op uniforme en tamelijk eenvoudige wijze kan worden toegepast. De methode werd eind jaren '70 ontwikkeld door de Research Libraries Group (RLG) in de Verenigde Staten (VS) als instrument om coöperatieve collectievorming van met name specialistisch, esoterisch of duur onderzoeksmateriaal te realiseren. In de VS (met name de verfijnde WLN-Conspectusmethode), Canada, Australië, Schotland, Zweden, Italië en Spanje is de Conspectusmethode inmiddels geaccepteerd als dé standaardmethode voor een kwalitatieve analyse en beschrijving van onderzoekscollecties. CvC richt zich met name op de categorie van onderzoeksmateriaal. Met deze methode kunnen collecties in kaart worden gebracht per gerubriceerd collectie-onderdeel. De onderwerpsrubrieken worden door de vakreferenten beoordeeld volgens een schaal van 0 (geen collectievorming) tot 5 (uitputtende collectievorming), en een taalcode. De compilatie van deze gegevens levert een profiel op van de sterktes en zwaktes van de bestaande collecties en van de huidige collectievorming. Als derde schaalwaarde kan een niveau voor de gewenste collectievorming - d.w.z. het collectiebeleid voor de komende jaren - worden toegekend. Wanneer deze methode op uniforme wijze wordt toegepast, biedt zij de mogelijkheid om de verkregen profielen met elkaar te vergelijken en profielen van (verwante) collecties binnen één instelling tot een instellingsprofiel te combineren.
Om deze methode daadwerkelijk als 'gemeenschappelijk taal' op bovenlokaal of landelijk niveau te gebruiken, is interuniversitair vakreferentenoverleg noodzakelijk. De verzamelde informatie over de vakgebieden, uitgedrukt in profielen, dient als uitgangspunt voor overleg. De vergelijkbaarheid van de profielen maakt het gemakkelijker om - in het licht van elkaars collecties - lokale beslissingen te nemen en samenwerking tussen twee of meer bibliotheken te realiseren.
Een niet te veronachtzamen gegeven voor een collectievormingsprofiel zijn de uitgaven per vakgebied. Vooral in landelijk perspectief kunnen de aanschafbedragen de functie vervullen van verificatie achteraf van de toegekende waarderingen ofwel niveaucodes en aanleiding geven om toegekende waarderingen bij te stellen. Het is dan ook zaak om bij het collectievormingsprofiel van een vakgebied de financiële gegevens - de daadwerkelijke uitgaven - toe te voegen. Bij het maken van het collectievormingsprofiel wordt rekening gehouden met de financiële middelen. De lokale situatie kan echter vertekenend werken. Wellicht wordt voor een vakgebied, lokaal gezien, veel uitgegeven in verhouding tot de andere vakgebieden, maar in landelijk perspectief kan dit bedrag slechts gering blijken te zijn.
De Conspectusbenadering vereist veel inhoudelijke deskundigheid vanuit de bibliotheken. Vakreferenten worden gestimuleerd de vakgebieden waarvoor zij collectioneren en hun collecties nader te onderzoeken en in kaart te brengen, vanzelfsprekend in nauw overleg met de gebruikersgroep(en) waarvoor zij aanschaffen. De gebruikersgroep(en) geeft/geven het belang van een onderwerpsgebied aan (voor onderzoek, onderwijs; de gewenste mate van volledigheid).
Op de Conspectusmethode is kritiek geleverd, met name dat de definities van de collectieniveaus op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Toch blijkt in de praktijk dat de collectiebeschrijvingen tot bruikbare resultaten leiden: vakreferenten krijgen meer inzicht in de sterktes en zwaktes van bepaalde collectie-onderdelen, waardoor zij beter tegemoet kunnen komen aan de lokale behoeften. Dit op zich is een aanzienlijke winst. Er zijn alternatieve methoden denkbaar, maar ook deze bevatten subjectieve elementen. Wanneer bijvoorbeeld een checklist gebruikt wordt om de kwaliteit van de collectie op een meer objectieve wijze vast te stellen, is het resultaat sterk afhankelijk van degene die de checklist heeft samengesteld, hoe de lijst is samengesteld en welke norm voor niveaucodetoekenning gekozen is. Ook hierbij is een subjectieve vertekening onvermijdelijk. In het landelijke vakreferentenoverleg kan er wellicht de behoefte ontstaan de beoordelingen (toegekende waarderingen/niveaucodes) van het vakgebied in haar geheel of een deelgebied nader te onderzoeken. In onderling overleg kan men dan besluiten een bepaalde vakbibliografie te gebruiken of een checklist samen te stellen om de toegekende codes te verifiëren.
Het lokale nut van de Conspectus
Het verzamelen en uitwisselen van informatie over vakgebieden en collecties kan op lokaal niveau zeer nuttig zijn. Bij verschillende bibliotheekorganisaties hebben Conspectus-achtige werkwijzen al goede diensten bewezen, met name op het niveau van beleidsbeslissingen ten aanzien van de collectievorming. Bij afstemming van collectiebeleid tussen afzonderlijke bibliotheken binnen één instelling (bijvoorbeeld tussen een centrale UB en decentrale instituuts- en faculteitsbibliotheken of tussen decentrale bibliotheken onderling) is de Conspectusaanpak een geschikt hulpmiddel gebleken. De inspanning die de vakreferenten, de vakgroepsleden, medewerkers van acquisitieafdelingen e.a. zich moeten getroosten, heeft een duidelijke zin. De Conspectusgegevens kunnen geïntegreerd worden in het collectioneringsproces en kunnen binnen de eigen instelling of organisatie gebruikt om:
Collectioneringsprioriteiten vast te stellen;
Ongewenste lacunes te vermijden door onnodige verdubbelingen te voorkomen;
Budgetten toe te wijzen voor materiaalselectie op grond van de vastgestelde prioriteiten;
Fondsen te werven ter ondersteuning van de collectie(vorming);
Materiaal te selecteren voor conservering;
Beslissingen te nemen ten aanzien van het gebruik van de magazijnruimte, en de collectie te saneren op grond van de kennis van de collecties van andere (instituuts)bibliotheken;
De communicatie tussen de bibliotheekmedewerkers, met de gebruikers en met de faculteit te verbeteren;
Nieuwe vakreferenten snel inzicht te geven in die collectie-onderdelen waar zij verantwoordelijk voor zijn.
Het gebruik van de Conspectus is niet alleen een zaak van vakreferenten. Bibliothecarissen kunnen de Conspectus gebruiken als referentiekader bij het nemen van beslissingen die de bibliotheekcollectie of een deel ervan betreffen. De Conspectusgegevens, opgeslagen in een database, kunnen bij uitstek worden gebruikt als onderdeel van een managementinformatiesysteem.
Het uiteindelijke doel van CvC is kwalitatieve verbetering van het landelijke aanbod door samenwerking. Aan de basis van elke vorm van landelijke afstemming ligt een goed inzicht in de lokale situaties én goed collectiebeleid op elke lokatie. Conspectus kan daarbij behulpzaam zijn.
Algemene richtlijnen om niveaucodes toe te kennen
De collecties
De Conspectusmethode wordt gebruikt om een collectie in haar geheel of een onderwerpsgebied te waarderen. De collectie kan bestaan uit boeken en seriewerken, tijdschriften, microfilms, cd-roms, (audio-)visueel materiaal, online bestanden en elektronische bronnen waartoe de bibliotheek toegang biedt via de online publiekscatalogus en/of haar webpagina. Alle materialen worden in acht genomen. In een toelichtings- of commentaarveld van een hoofd- en/of subrubriek kan achtergrondinformatie worden vermeld over de collectie. Bijvoorbeeld over de sterkte van de collectie, bijzonderheid van de collectie of over speciale aandachtspunten voor de collectievorming, zoals materiaaltypen: congresverslagen, grijze literatuur, audiovisueel materiaal, elektronisch materiaal, databases en cd-roms. Er kunnen ook opmerkingen worden gemaakt over het aankoopbeleid: verhouding aankoop, ruil en giften; intekening op een x-tal reeksen; bibliotheek verbonden aan vereniging, stichting en dergelijke, en over het collectiebeleid: bijvoorbeeld 'ouder materiaal wordt niet verzameld'; geografische dekking; chronologische dekking; tijdschriftendekking en taaldekking. Ook kan worden vermeld: het aantal (aangeschafte) titels; fysieke conditie en gebruikscijfers (uitleencijfers, IBL-gegevens of aantal documentleverantie transacties). Deze specifieke informatie vergemakkelijkt de taak van de vakreferent om goed onderbouwde beslissingen te nemen over de aanschaf, deselectie en pre/-conservering voor elk segment van de collectie.
De schaalwaarden
Aan elk vak- of onderwerpsgebied worden 2 schaalwaarden toegekend, namelijk het niveau van de aanwezige collectie op dat vak- of onderwerpsgebied (het collectieprofiel: CP) en het niveau van recente aanschaf (het collectievormingsprofiel: CvP). De CP's verwijzen naar de sterkte (breedte en diepte) van de bestaande collectie. De CvP's verwijzen naar de collectioneringsinspanning van de afgelopen twee jaar om de collectie (verder) op te bouwen (de reële uitgaven, eventuele ruilprogramma's, aantal aangeschafte titels, aantal lopende abonnementen, enzovoort) en moeten regelmatig worden bijgesteld door fluctuaties in onderwijs en onderzoek. Het aantal aangeschafte titels heeft overigens een beperkte kwalitatieve waarde, maar kan dienen als verificatiemiddel bij een kwalitatieve beoordeling. Een CvP is het uitgangspunt voor het collectiebeleid voor de komende jaren. Optioneel kan een derde schaalwaarde worden toegekend om dit kenbaar te maken (streefprofiel: SP). Dit is een indicatie van het collectiebeleid voor de komende jaren, van een verandering van onderzoeksgebieden (nieuwe gebieden en/of gebieden die niet langer relevant zijn); van een verandering van budgetten (meer of minder fondsen; derde geldstroom) en dergelijke. Aan de schaalwaarden wordt ook een taalcode (TC) toegekend. De taalcodes zijn een aanvullende kwalitatieve waardering van de niveaucodes. Naast de gangbare taal is het op niveau 3, 4 en 5 essentieel dat er ook titels aanwezig zijn in andere talen. Hoe hoger de niveaus, des te meer titels in andere talen verwacht mogen worden in de collectie.
De niveaudefinities
De definities van de collectieniveaus geven het type van de collecties aan. Niveau 0 wordt slechts toegekend als het nodig is expliciet aan te geven dat er niet actief wordt aangeschaft op dit onderwerps- of vakgebied. Dit wil echter niet zeggen dat de bibliotheek niets bezit binnen deze rubriek; dit materiaal kan zijn verkregen door een schenking of een legaat. Niveau 3 en de lagere niveaus worden gebruikt om een minder intensieve collectionering aan te duiden. Een minder intensieve collectionering impliceert niet noodzakelijk een lager wetenschappelijk niveau van het aangeschafte materiaal. Niveau 5 houdt in dat een bibliotheek zoveel mogelijk nastreeft alle werken - ongeacht de taal, voor een duidelijk omschreven en beperkt gebied - op te nemen. Dit impliceert dat niveau 5 slechts bij uitzondering gebruikt zal worden.
Het referentiekader
Om aan een collectie-onderdeel een bepaald niveau toe te kennen, dient men goed op de hoogte te zijn van het aanbod van publicaties (het 'bibliografische universum'). De kwaliteit van de collectie kan mede worden beoordeeld aan de hand van de wijze waarop men te werk gaat: af en toe een werk aankopen; zorgvuldig en gebalanceerd aanschaffen; streven naar volledigheid. Uiteindelijk moet worden beoordeeld of datgene wat is verzameld voldoende is om op het aangeduide niveau te functioneren, rekening houdend met het aanbod. Kennis van de collecties én van het literatuuraanbod is een belangrijke voorwaarde om de collecties goed te kunnen beoordelen. Vaak is het zaak om de kern van de gebruikersgroep (bijvoorbeeld vakgroepsleden) hierbij in te schakelen.
Specifieke richtlijnen om profielen te make
Zowel voor CP's als voor CvP's maakt men gebruik van de Nederlandse Basisclassificatie - of een andere systematiek - en de Conspectusmethode. Het is echter niet strikt noodzakelijk dat eerst CP's en dan pas CvP's worden gemaakt. De relatie tussen beide kan heel divers zijn. Dit is afhankelijk van het type collectie (alpha, bèta of gamma), het type bibliotheek (centrale universiteits- of faculteitsbibliotheek) en van de invalshoek(en) waarvoor men de profielen wil gebruiken (magazijnbeheer, collectiebeleid, afstemming van de collectievorming).
Collectieprofielen
Strategie om CP's te maken:
Begin met het meest bekende of vertrouwde gedeelte van de collectie.
Ga na wat voor soort literatuur en materiaaltypen in een niveau 2, 3, 4 of 5 collectie te verwachten zijn overeenkomstig de niveaudefinities, met de te evalueren collectie in gedachten. Meer uitvoerige analyses dienen vaak slechts ter bevestiging van de oorspronkelijke impressie. Wanneer er moet worden beslist tussen twee niveaucodes, is een nauwkeurige lezing van de definities van de codes vaak voldoende. Onderzoek de collectie alleen dan grondiger wanneer er gerede twijfel bestaat over de waardering.
Maak een ruwe schatting van de grootte van de collectie, van het aantal abonnementen en dergelijke. Deze gegevens kunnen een indicatie geven van het niveau van dit collectie-onderdeel.
Bepaal het niveau door bijvoorbeeld de collectie te onderzoeken op een aantal specifieke factoren: de diepgang en mate van specialisatie van monografieën; de aanwezigheid van standaardwerken; de dekking van belangrijke auteurs en uitgevers; de verhouding tussen primaire en secundaire werken; de bestreken talen, jaren en landen van uitgave; de aanwezige documentsoorten; de omvang en diepgang van het tijdschriftenbezit; de compleetheid van series; de grootte van de collectie; het budget.
Noteer de wijze waarop niveautoekenning totstandgekomen is, zodat later nagegaan kan worden of codes consistent zijn toegekend. Men kan ook terugkomen op bepaalde toekenningen, wanneer deze vergeleken worden met de beoordeling van andere 'conspectoren'. In gemeenschappelijk overleg kan dan een definitieve waardering worden toegekend.
NB: Wanneer een substantieel aantal titels uit een collectie-onderdeel verwijderd wordt, is dit een reden om een bestaand CP bij te stellen.
Collectievormingsprofielen
De toegekende waarden van de collectioneringsniveaus representeren de niveaus van de actuele collectionering van de afgelopen twee jaar. De per rubriek ingevulde niveaucode impliceert de intentie dat de bibliotheek de komende twee jaar verwacht op dit niveau te blijven aanschaffen. Mocht daar aanleiding toe bestaan, dan kan nog een derde schaalwaarde worden toegekend (SP), waarmee men bijvoorbeeld aangeeft dat de aanschaf op dit bepaalde collectie-onderdeel zal verminderen (bijv. CvP/TC: 4C en SP/TC: 3C) of toenemen (bijv. CvP/TC: 2N en SP/TC: 4C).
Benodigde gegevens om CvP's te maken:
Voor de bibliotheken die BC-codes per titel in het GGC invoeren, is het vrij eenvoudig om het aantal aangeschafte titels (boeken, tijdschriften, cd-roms, online bestanden enzovoort) per onderwerps-/vakgebied automatisch te genereren. Deze kwantitatieve benadering is (beperkt) bruikbaar en als onderbouwing van een kwalitatieve benadering waardevol. Als een vakreferent bijvoorbeeld voor een bepaald onderwerpsgebied in twee jaar 30 boeken heeft aangeschaft en dit met een 4 waardeert, terwijl een andere bibliotheek er 75 heeft aangeschaft, is er op z'n minst reden tot nadere bezinning en overleg.
Het aantal titels dat door schenking(en) verkregen is.
Kennis van het aanbod van publicaties: bij een bepaald vakgebied betekent de aanschaf van 10 boeken per jaar dat er op niveau 5 verzameld is, terwijl dit voor andere vakgebieden niveau 1 of 2 betekent.
De bestede financiële middelen.
Gesprekken met gebruikers over recente aanwinsten.
Nadat de CvP's zijn gemaakt, worden deze formeel vastgesteld. Bestuurlijk committment is belangrijk met het oogpunt van continuïteit. Wanneer de profielen zijn goedgekeurd, hebben de vakreferenten voor de eerstkomende jaren een handvat om hun aanschafbeslissingen te onderbouwen en weten de gebruikers op welke terreinen en op welk niveau er wordt aangeschaft.
In het landelijk vakreferentenoverleg zijn de CvP's een uitgangspunt voor onderlinge vergelijkingen en mogelijke afstemming. Voor er echter beleid kan worden gemaakt om verdubbelingen en lacunes tegen te gaan, zal eerst duidelijk moeten zijn waar in de collectievorming de vermijdbare verdubbelingen en ongewenste lacunes optreden. De budgettaire gegevens spelen hierbij eveneens een rol. Wanneer bijvoorbeeld bij een bibliotheek voor een bepaald vakgebied een jaarbudget staat van 800.000,- en de collectievorming is gewaardeerd op niveau 4 en een andere bibliotheek heeft slechts 80.000,- te besteden, terwijl ook hier de collectievorming gewaardeerd is op niveau 4, dan is er reden tot nader onderzoek en bijstelling van de toegekende waarderingen.
De Conspectuscodering
Definities van de collectieniveaus
0. Geen collectievorming
Er wordt niet aangeschaft op dit onderwerp of vakgebied.
1. Minimale collectievorming
Een aantal zeer algemene recente elementaire handboeken en naslagwerken en enkele basistijdschriften op dit onderwerp of vakgebied.
2. Algemene naslagcollectie
Een collectie van recent en algemeen materiaal ter introductie en afbakening van een onderwerp of vakgebied. Voorziet in informatie die verwijst naar aanvullende informatie. De collectie omvat:
De belangrijkste vakwoordenboeken, encyclopedieën, handboeken, historische overzichtswerken en een beperkt aantal belangrijke monografieën.
Een beperkt aantal representatieve algemene tijdschriften en lopende bibliografieën.
Gegarandeerde toegang tot een beperkte collectie elektronische bibliografische naslagwerken, teksten, databanken, tijdschriften, enzovoort.
Gegarandeerde toegang wil zeggen dat de bibliotheek de gebruikers meer dan toegang biedt tot het Internet en een of meer Internet zoekinstrumenten. Gegarandeerde toegang verwijst naar menu-opties op de web-pagina van de bibliotheek of instelling, die de gebruikers toegang bieden tot gekochte elektronische bronnen (cd-roms) en tot externe elektronische bronnen die de bibliotheek in licentie of abonnement heeft.
3. Onderwijscollectie
Een collectie ter ondersteuning van wetenschappelijk onderwijs en daarmee samenhangende zelfstandige studie. De collectie omvat:
Een breed scala aan basismonografieën en inleidende werken, de werken van belangrijke auteurs, selecties uit de werken van minder belangrijke auteurs en een brede selectie van encyclopedische en vakgerichte bibliografische naslagwerken
Een uitgebreide collectie algemene tijdschriften en een collectie van toonaangevende tijdschriften en vakgerichte lopende bibliografieën.
Gegarandeerde toegang tot een uitgebreide collectie elektronische bibliografische naslagwerken, teksten, databanken, tijdschriften, enzovoort.
Er wordt verzameld in de meest gangbare (Europese) talen, maar ook in de taal van het object van studie in het geval van taalstudies.
4. Onderzoekscollectie
Een collectie ter ondersteuning van dissertatie- en wetenschappelijk onderzoek. De collectie omvat:
Belangrijk bronnenmateriaal, onderzoeksrapporten, congresverslagen, alle belangrijke naslagwerken, een ruime selectie van gespecialiseerde monografieën, de werken van belangrijke auteurs en een uitgebreide keuze uit het werk van minder belangrijke auteurs.
Een uitgebreide verzameling van gespecialiseerde tijdschriften en lopende bibliografieën.
Gegarandeerde toegang tot een zeer uitgebreide collectie elektronische bibliografische naslagwerken, teksten, databanken, tijdschriften, enzovoort.
Er wordt verzameld in meerdere talen. Ouder materiaal wordt bewaard voor historisch onderzoek.
5. Complete collectie
Dit niveau geeft aan dat de bibliotheek, waar mogelijk, streeft naar een zo volledig mogelijke verzameling
van alle typen van informatiedragers, in alle talen, die voor onderzoek en onderwijs van belang kunnen zijn
voor een specifiek deelgebied ('speciale collectie'). De collectie geldt (inter)nationaal als zijnde van hoog
niveau.
De taalcodes
De taalcode geeft een inzicht in de prioriteiten en beperkingen in de collectievorming. De taalcodes zoals gedefinieerd in de RLG-Conspectus blijken voor het collectievormingsbeleid van de Nederlandse bibliotheken te beperkt te zijn; de code C is toegevoegd.
Een collectie voornamelijk in eigen taal met zeer weinig werken in een andere taal (National language).
Een collectie in eigen taal en in de gangbare talen voor internationale wetenschappelijke communicatie binnen dit onderwerp (Common languages). Meestal zijn deze talen Engels, Duits of Frans, maar ook de taal van het object van studie in het geval van taalstudies.
Ook materiaal aanwezig in andere Europese talen (Foreign languages). Specificeer in het commentaarveld de specifieke taal of taalgroepen, die vertegenwoordigd zijn.
Geen beperking bij het collectioneren t.a.v. de taal van de publicatie (Wide selection).
Een collectie voornamelijk in vreemde talen. Specificeer in het commentaarveld de taalgroepen die vertegenwoordigd zijn in de collectie.
De taalcode Y is met andere taalcodes te combineren, behalve met W. De taalcode W is niet met andere taalcodes te combineren.




